De lagere school

We verstaan onder ‘lagere school’ de klassen 1 tot en met 6. We kunnen binnen deze zes leerjaren een tweedeling maken. We maken dan het onderscheid tussen klas 1 tot en met 3 en klas 4 tot en met 6, omdat de didactische aanpak tussen het einde van de derde klas en begin vierde klas verandert. Dit omdat vanaf het negende levensjaar er binnen het kind een verandering optreedt naar hoe het tegenover de wereld staat.

Via de leraar leert het kind de wereld van de volwassenen kennen. Daarom vinden de leerervaringen plaats binnen een zinvolle context. Het is belangrijk om het kind als geheel aan te spreken. Dat wil zeggen via hoofd, hart en handen. Dit doen we in alle klassen door te werken met verhalen, kunstzinnige vakken, zoals schilderen en muziek, motorisch- ritmische oefeningen en het leren via periode-onderwijs.

In de lagere klassen beleven de kinderen de wereld nog vanuit één geheel. De leraar en zijzelf maken deel uit van dat geheel. Voor het kind tussen 6 en 9 jaar is de wereld goed en mooi. Hij voelt zich in deze wereld thuis. In de lagere klassen ligt de nadruk vooral op het hart en de handen. Het ‘voelen’ en het ‘doen’ staan centraal via de vertelstof en de vele ritmische oefeningen. De kinderen leven mee met de vertelde verhalen en verwerken die op kunstzinnige wijze. We laten de kinderen eerst schrijven (doen) voordat ze leren lezen en bij de rekenlessen worden de tafels van vermenigvuldiging eerst geklapt, gestampt en getekend, voordat er sommen worden gemaakt. We werken in de eerste drie klassen met drie hoofdvakken: Taal, Rekenen en Heemkunde.

Vanaf het negende levensjaar treedt er een verandering op binnen het kind. Het ziet de wereld niet meer als één harmonieus geheel, waarvan het deel uitmaakt, maar ervaart dat het als individu tegenover deze wereld staat. Vanaf dit tijdstip begint het denken binnen het leren een duidelijkere plaats in te nemen. Het kind ervaart dat er spelling- en grammatica regels zijn en dat het kan rekenen met breuken. De wereld wordt als het ware opnieuw ontdekt vanuit nieuw verworven vaardigheden, vanuit jezelf als individu. Dit komt bijvoorbeeld in de muzieklessen tot uiting door het kunnen meerstemmig zingen. In de hogere klassen wordt er steeds meer geappelleerd aan het ‘denken’. Dit doen we door de heemkundevakken steeds verder uit te splitsen naar: dierkunde, geschiedenis, plantkunde, aardrijkskunde, mineralogie en fysica.

Binnen dit geheel willen we op onze school specifiek aandacht besteden aan het leven met de natuur. Uitgaande van het ‘denken’, ‘voelen’ en ‘willen’ zullen de kinderen in onze boerderijschool de kans krijgen om in de tuin te werken, dieren te verzorgen en maaltijden te koken. Deze activiteiten integreren we binnen de lessen van de lagere school, zodat zij daarmee een harmonieus geheel zullen vormen. Hiermee willen we het ideaal van het Steinerschoolonderwijs extra inhoud geven; dat kinderen zich ontwikkelen tot vrije, zelfstandige mensen die zich bewust zijn van hun verantwoordelijkheid voor medemens en natuur.